Pater Libero Raglianti werd op 22 november 1914 in Cenaia (een gehucht van Crespina Lorenzana, Pisa) geboren in een boerengezin. Hij trad toe tot het seminarie en werd in 1938 tot priester gewijd. Na zijn eerste periode van pastoraal werk in de parochie van Pontedera werd hij op 4 augustus 1940 benoemd tot pastoor van de kerk van Valdicastello, een gehucht van Pietrasanta in Versilia.
Meerdere malen liet hij blijken ontevreden te zijn over het fascistische regime. Na 8 september 1943, de wapenstilstand van Cassibile die de overgave van Italië aan de geallieerde troepen betekende, werkte hij actief samen met de partizanengroepen. Hij werkte met name samen met de eenheid onder leiding van Lorenzo Bandelloni uit Seravezza en werd na de oorlog officieel erkend als partizaan. Toen het front dichterbij kwam, slaagde hij erin snel hulp te organiseren voor duizenden ontheemden door voedsel, voorraden en onderdak te regelen. Hij werd daarbij geholpen door de salesiaanse priester Renzo Tognetti, die als contactpersoon fungeerde met de ‘Bandelloni’-groep. Tognetti werd op 10 september 1944 gedood en werd eveneens erkend als partizanenstrijder.
De hulpverlening aan ontheemden kwam tot een einde door de razzia’s die half augustus in het dorp Valdicastello plaatsvonden. Tientallen mannen, onder wie pater Libero, werden gearresteerd en naar Nozzano overgebracht. Raglianti werd dagenlang ondervraagd en gemarteld. Op 29 augustus 1944 werd hij in Laiano di Filettole (Vecchiano) doodgeschoten. Op zijn lichaam werd een bordje geplaatst met de tekst ‘Bandiet die Duitse troepen aanviel’.
Na de bevrijding werden op verschillende plaatsen monumenten opgericht en gedenkplaten aangebracht ter nagedachtenis aan hem. Een van de meest opvallende daarvan is het monument in Valdicastello Carducci. Het staat op het naar hem vernoemde plein, naast de kerk, waar ook een gedenkplaat aan de muur is aangebracht.
Op 5 oktober 1964 kende de toenmalige president van de Republiek, Antonio Segni, Raglianti de Gouden Medaille voor Burgermoed toe, met de volgende motivering: ‘Hij oefende zijn priesterambt uit met een zeldzame zelfopoffering en verrichtte altijd genereus en onbaatzuchtig werk ten behoeve van zijn parochianen. Tijdens de bezetting door de vijand hielp hij met nederige heldhaftigheid ontheemden, verwelkomde hij de vervolgden en gewonden met christelijke naastenliefde en wijdde hij zich aan talloze initiatieven om zijn kudde te redden en hun lijden te verlichten. Hoewel hij door de bezetter werd verdacht, wilde hij, zonder acht te slaan op het gevaar, doorgaan met zijn voorbeeldige werk; toen hij gevangen werd genomen, doorstond hij met stille moed martelingen en mishandeling, en zag hij de dood met sereniteit tegemoet. Een schitterend voorbeeld van priesterlijke liefde, gedreven tot het punt van de bewuste opoffering van zijn leven.’