#Audiospot

De grafdelvers van Vossenack

Na het einde van de oorlog in 1945 was de strijd in grote delen van Duitsland nog overal zichtbaar. Voor terugkerende bewoners vormde hun berging een noodzakelijke voorwaarde om het dagelijks leven weer op te bouwen.

In de Nordeifel was de situatie bijzonder schrijnend. Dorpen lagen in puin, bossen waren kapotgeschoten en akkers bezaaid met munitie, mijnen en onontplofte granaten. Tussen die resten lagen de doden: langs wegen, in loopgraven, kelders en verwoeste huizen, maar ook verspreid over velden en in bossen. Tijdens de maandenlange gevechten in en rond het Hürtgenwald waren duizenden Duitse en Amerikaanse militairen omgekomen. Ook burgers en mensen die na de oorlog bij het ruimen van mijnen en explosieven stierven, behoorden tot de slachtoffers. Veel lichamen waren haastig begraven, slechts gedeeltelijk bedekt of helemaal niet begraven.

De berging begon aanvankelijk op lokaal niveau. Gemeentebesturen, geestelijken en andere verantwoordelijken organiseerden groepen, voornamelijk bestaande uit mannen uit de regio, die de slagvelden en ruïnes doorzochten. In Vossenack speelde pastoor Werner Eschweiler daarbij een belangrijke rol. Een van de bekendste bergers was Julius Erasmus, die later beheerder werd van de oorlogsbegraafplaats in Vossenack. Hij kreeg bekendheid als ‘Totenberger’, maar werkte niet alleen. Tal van mannen uit de omgeving verrichtten hetzelfde zware en gevaarlijke werk, soms ook omdat het een bescheiden inkomen opleverde in een tijd van grote armoede.

De bergingsploegen probeerden de slachtoffers zo zorgvuldig mogelijk te identificeren. Een identificatieplaatje kon snel uitsluitsel geven, maar vaak waren andere aanwijzingen nodig, zoals een ring, gebitskenmerken of sporen van een oude botbreuk. In veel gevallen bleef de identiteit onbekend. Het werk was levensgevaarlijk: overal lagen mijnen en niet-ontplofte munitie, waardoor ook na de capitulatie nog doden vielen.

Na de oorlog kon de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge zijn werkzaamheden hervatten. Onder zijn verantwoordelijkheid werden veel stoffelijke resten opnieuw opgegraven en samengebracht op grotere oorlogsbegraafplaatsen, waaronder Vossenack en Hürtgen. Daar liggen tegenwoordig samen meer dan 5.300 doden begraven. Het doel was tweeledig: de geteisterde omgeving weer bewoonbaar maken én ieder slachtoffer, voor zover mogelijk, een naam en een waardig graf geven.

Photos